De langste Profetische Periode

Verklaringen ná 1863

Ellen G.White schreef de volgende verklaring in het jaar 1888:

“De ervaring van de discipelen, die “het evangelie van het Koninkrijk” bij de eerste komst van Christus verkondigden, heeft zich herhaald voor hen die de boodschap van Christus’ wederkomst brachten. De discipelen predikten: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”. Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken, dat het oordeel nabij was en dat het eeuwig Koninkrijk zou worden opgericht. De evangelieverkondiging van de discipelen steunde op de zeventig weken van Daniël 9. Volgens de boodschap die Miller en zijn medewerkers brachten, liepen de 2300 avonden en morgens van Daniël 8:14, waarvan de zeventig weken het begin vormden, spoedig ten einde. De verkondiging van beide was gebaseerd op de vervulling van twee verschillende stukken van dezelfde lange profetische periode.” GC, 351

Wanneer wij, in de doorsnee Adventistische samenkomsten, zouden vragen wat de langste profetische periode in de Bijbel is, wat zou dan het typerend antwoord zijn? Ongetwijfeld, de 2300 dagen van Daniël 8:14. Bovenstaand citaat wordt daar over het algemeen als bewijs voor gebruikt. Het volgende artikel wil deze tekst echter nader bestuderen en in het juiste historische perspectief plaatsen.

Wat werd, toen zuster White deze verklaring schreef in 1888, gewoonlijk onder Zevende Dags Adventisten als de langste profetische periode beschouwd?

Hier een paar voorbeelden van gerespecteerde pionier-auteurs die commentaar gaven over dit onderwerp:

  • 1877, Uriah Smith: “De periode van 2300 dagen is de langste profetische periode die in de Bijbel gegeven wordt” — Uit: The Sanctuary and the Twenty-three Hundred Days of Daniel 8:14, 273
  • 1899, John N. Loughborough: “De 2300 dagen is de langste profetische periode, het overbrugt zo’n beetje de beëindiging van alle anderen”. — Uit: Heavenly Visions blz. 22
  • 1919, Steven N. Haskell: “Daniël is het enige boek dat de 2300 dagen weergeeft, – de langste profetische periode in de Bijbel, die eindigde in 1844”. — Uit: Bible Hand Book blz. 54

Broeder Smith en broeder Loughborough zijn beide bekeerd tot het Zevende Dags Adventisme in 1852 en broeder Haskell in 1853. Hoewel hun aandeel voor de Zevende Dags Adventisten zeer waardevol is, is het belangrijk te weten dat zij nooit door de vurige oven van de eerste en tweede engelenboodschap, voorafgaand aan de grote teleurstelling van 1844, zijn gegaan.

Zelfs vòòr deze verklaringen, in het jaar 1872, werd er in Battle Creek “EEN VERKLARING VAN DE FUNDAMENTELE PRINCIPES, GELEERD EN UITGEOEFEND DOOR ZEVENDE DAGS ADVENTISTEN” gepubliceerd, welke het volgende artikel bevatte:

ix. Dat de fout, door Adventisten in 1844, paste bij de aard van de gebeurtenis dat zich voordeed, en niet bij de tijd; dat er geen profetische periode gegeven is dat reikte tot aan de wederkomst, maar dat de langste, de 2300 dagen van Daniël 8:14, eindigde in dat jaar, en ons bij de gebeurtenis bracht genaamd “de reiniging van het Heiligdom”. 1872, FP1872, 3

In de inleiding van deze verklaring van fundamentele geloofspunten, lezen wij:

“Bij de presentatie aan het publiek van dit overzicht van geloofspunten, willen wij dat het duidelijk wordt begrepen dat wij geen geloofsartikelen, geloofsbelijdenis of discipline buiten de Bijbel hebben. Wij brengen dit niet naar voren als enige autoriteit van ons volk, noch is het bedoelt om een gelijkvormigheid te verkrijgen onder hen, als een geloofssysteem, maar het is een korte verklaring van wat is en geweest is, met de grote eensgezindheid, die zij bezaten”. {1872, FP 1872.3}

Is het waar dat wij als volk, met grote eensgezindheid, de 2300 dagen voor de langste profetische periode hebben gehouden?

Wanneer met “ons volk” alleen de tijd beschouwt wordt dat wij als een kerkgenootschap bestaan, dan is hun beoordeling waarschijnlijk gerechtvaardigd, omdat de ZDA gemeente in 1863 georganiseerd is, terwijl gelijktijdig een verwerping van de geldigheid van de 2520 plaatsvond. In dat zelfde jaar (1863) werden nieuwe kaarten geprint om de oude kaarten van 1843 en 1850 te vervangen, die onder leiding van de hand des Heere gemaakt waren (EW, 74).

De verwerping werd duidelijk toen James White in 1864 schreef:

 “De profetische periode van Leviticus 26, of verondersteld wordt te zijn, is veel aanleiding geweest tot studie onder uitleggers van de profetieën. Er wordt verondersteld dat de uitdrukking “zeven tijden” (KJV), in de verzen 18, 21, 24 en 28, een profetische tijdsperiode aanduidt van 2520 jaren, en dat deze periode de tijd overbrugt dat de troon van Israël onderworpen en verwoest werd door de onderdrukkende machten. … Laat Leviticus 26 überhaupt enige profetische periode zien? Wij beweren van niet, en zullen enkele heel overtuigende redenen laten zien voor deze bewering.” { Januari 26, 1864, Jwe, Adventist Review and Herald, 68}

Verklaringen vóór 1863

Maar wat zouden onze vaders in de Millerieten beweging gedacht hebben over de 2300 dagen als de langste profetische periode in de Bijbel? Wij hoeven daar niet naar te raden, want 20 jaren eerder werden zij ook met argumentaties geconfronteerd en lieten hun bevindingen achter op papier.

Let op de  volgende verklaring gemaakt door Ouderling Silas Hawley, gemeente predikant, gepubliceerd in de “Signs of the Times” 10 Januari 1844. (Hoewel broeder Silas verwelkomd werd in de Millerieten beweging, legde hij hen enkele afwijkende ideeën op).

“Door Silas Hawley jr: 1. Dat de 2300 jaren de langste profetische periode vormt, moet als het belangrijkste beschouwt worden. Om het einde duidelijk te maken, of het meest waarschijnlijke einde, verhoogt de waarschijnlijkheid. Wanneer de andere perioden parallel hiermee lopen, zover ze bestaan, of beginnen nadat deze begonnen is, en gelijktijdig ermee eindigen, moeten ze hiermee in harmonie zijn, hoewel wij niet voldoende licht hebben om de overeenstemming te onderscheiden. Bij alle gebeurtenissen is de langste periode de belangrijkste, en moet onze belangrijkste gids vormen.” {10 Januari 1844, JVHe, HST 169.9}

Redacteur Joshua V.Himes verwaardigde broeder Silas het artikel te publiceren maar voegde de volgende opmerking toe:

 “Wij verontschuldigen ons bij onze lezers, dat wij zoveel ruimte in ons tijdschrift in beslag laten nemen met artikelen die betrekking hebben op deze vraag, waardoor andere zaken uitgesloten worden. … Maar omdat onze broeder zoveel belang hecht aan zijn visie, hebben wij het in zijn geheel gedrukt, ondanks onze afwijkende mening. … Er zijn enkele punten in het bovenstaande waarop wij een aanmerking willen maken.

“Ten eerste: Eén periode kan niet een andere periode overheersen, tenzij het begin en het einde worden gemarkeerd door groter bewijs van betekenis. Elke periode moet met dezelfde nauwkeurigheid worden vervuld, onafhankelijk van de duur. Het is derhalve niet op één periode waar wij ons op moeten verlaten, maar alle profetische perioden moeten eindigen op ongeveer dezelfde tijd, aangetoond door afdoend bewijs afhankelijk van de beëindiging van elkaar. Wanneer de langste periode overheerst, dan zouden de zeven tijden voorrang hebben boven de anderen …

“Ten vierde: Wij achten de zeven tijden als één van de sterkste bewijzen, een profetische tijd die te belangrijk is om summier te behandelen en van de hand te wijzen. Het verdient natuurlijk een onbevooroordeelde behandeling en mag niet zonder weloverwogen redenen afgewezen worden. Wij zouden net zo erg versteld staan met  de afwijzing van deze periode als dat wij zouden zijn wanneer hij de 2300 dagen afgewezen zou hebben. Zouden wij alleen de zeven tijden als ons richtsnoer hebben, dan zouden wij voortdurend uitkijken naar de Heere.” {10 Januari 1844, JVHe, HST 170-171}

Na de eerste teleurstelling en nadat de middernachtelijke roep had plaatsgevonden, werd de  navolgende verklaring gepubliceerd in dezelfde tijdschrift op 25 september 1844:

 “Ten slotte. Iedereen moet toegeven dat wij een hoogst moeilijke, aangrijpende periode zijn binnen gegaan. Dat de langste profetische periode het einde in zicht brengt, de zeven tijden, waarbij wij veronderstellen dat al de anderen moeten overeenkomen, in hun eindpunt, die eindigt in het najaar, lijkt erg duidelijk; dat wij in het laatste jaar zijn van de 2300 jaren, is nog meer bewijs; en het hele aspect van de wereld om ons heen, moreel en politiek, komt goed overeen met de geïnspireerde omschrijving van “de oogsttijd”. {25 september 1844, JVHe, HST 62.7}

En vlak voor de grote teleurstelling is de volgende verklaring gepubliceerd op 9 oktober 1844, geschreven door Joshua V. Himes:

“Wij hebben het standpunt ingenomen dat de tijd van de wederkomst van onze Heer bekend mag zijn. De reden hiervan zijn gedurende de laatste vier jaren in de columns van deze krant gegeven, als ook in de Advent Library. De datum, zoals door mr. Miller is gegeven, en anderen, in dit werk, zoals bekend, is dit voorjaar verstreken, toen wij onze Koning in Zijn heerlijkheid verwachtten. Wij waren toen teleurgesteld. Toen konden wij het niet uitleggen, ook nu nog niet, waar onze fout lag, behalve in het feit dat niet alle profetische tijden vervuld zijn. Terwijl met de beste gegevens de meeste periodes vervuld waren, was het duidelijk dat de zeven tijden niet eerder eindigden dan dit najaar; en omdat dit de langste periode is, en de hele boog omspant, zien wij geen mogelijkheid de overtuiging te vermijden en zelfs de verzekering te hebben, dat de Heere in het najaar zal komen. Een definitieve tijd, zoals een maand of dag kan niet door de profetische perioden bepaald worden, omdat geen van hen afzonderlijk, of tezamen, in harmonie met elkaar kunnen worden gebracht in één maand, of één dag van de maand. En als er zoiets is als een bestemde tijd, dan kan deze alleen verkregen worden door de typologische instellingen, die gehouden werden in een bepaalde maand, en dag van een jaar. In dit geval kunnen wij alleen kijken naar de najaarsfeesten, in de zevende maand van het Joodse jaar. Dit is de enige maand waarnaar wij kunnen kijken voor de vervulling; en omdat de tiende van deze maand de enige dag is waarop  typologisch de komst van onze Hogepriester kan worden vervuld, zijn wij vast in ons geloof, en zullen, door Gods genade, uitkijken naar deze gebeurtenis, en daarnaar handelen. Onze redenen worden  uitgebreider gegeven in een ander deel van deze krant, waarnaar wij onze lezers graag verwijzen. Moge de Heere ons voorbereiden voor deze heerlijke gebeurtenis.” {Boston, October 9, 1844, JVHe, HST 80.7}

Een handje vol trouwe gelovigen, die de grote teleurstelling hebben overleefd, incl. zr. White, kwamen samen in een biddend bestuderen en onderzoeken van de fundamenten van ons geloof (zie 1 Selected Messages p.206). De geldigheid van de 2520 werd bevestigd, want later werd op de kaart van 1850 de 2520 inbegrepen onder leiding van de hand van God (zie Manuscript Release, vol. 13, 359 en 5MR, 203). Hierdoor werd voorzien in een tweede getuige van de 1843 kaart, die ook de 2520 bevatte en onder leiding van Gods hand gemaakt is (zie Early Writings, 72).

En in 1856 nog publiceerde Hiram Edson in de Review and Herald (3 januari 1856) het artikel genaamd “DE TIJDEN DER HEIDENEN” en bouwde daarin het inzicht van de pionieren over de 2520 verder uit.

Dus, de historische bewijzen vòòr 1863, toen de zeven tijden terzijde gelegd werden, laten zien dat de pionieren de 2520 als de langste profetische periode in de Bijbel beschouwden.

Analyse van The Great Controversy 351

Met dit in gedachten, laten wij nog een keer naar ons openingscitaat kijken uit de Grote Strijd blz. 328:

“De ervaring van de discipelen, die “het evangelie van het Koninkrijk” bij de eerste komst van Christus verkondigden, heeft zich herhaald voor hen die de boodschap van Christus’ wederkomst brachten. De discipelen predikten: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”. Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken, dat het oordeel nabij was en dat het eeuwig Koninkrijk zou worden opgericht. De evangelieverkondiging van de discipelen steunde op de zeventig weken van Daniël 9. Volgens de boodschap die Miller en zijn medewerkers brachten, liepen de 2300 avonden en morgens van Daniël 8:14, waarvan de zeventig weken het begin vormden, spoedig ten einde. De verkondiging van beide was gebaseerd op de vervulling van twee verschillende gedeelten van dezelfde lange profetische periode.GC, 351

Toen zr. White dit citaat in 1888 opschreef werd algemeen aangenomen dat de 2300 dagen de langste tijdsprofetie was, dus Adventisten in die tijd namen vrijwel met zekerheid aan dat zr. White hun inzichten daarover ondersteunde. En omdat dit citaat lijkt te zeggen dat de 2300 dagen de langste profetische periode is, gebruiken tegenwoordig veel Adventisten dit citaat als een absolute verklaring tégen de 2520.

Echter, een aandachtig lezen van dit citaat laat ons zien dat dit niet het geval is, omdat er een alternatieve verklaring is die overeenstemt met (1) de geschiedenis van de Millerieten, (2) de grammatica of zinsbouw die gebruikt wordt door zr. White, en (3) met de Bijbelse uitleg.

In overeenstemming met de geschiedenis van de Millerieten

“… Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken …”

Het is al bevestigd dat de Millerieten verkondigden dat de langste profetische periode de 2520 was, en niet de 2300 dagen. Zr. White, die zelf bij de Millerieten beweging was, heeft dit beter begrepen dan wij. Om te suggereren dat de Millerieten verkondigden dat de 2300 de langste profetische periode was is historisch onjuist.

De grammatica of zinsbouw die gebruikt wordt door zr. White

Laten wij dit citaat zorgvuldig analyseren. Let op dat de “langste en laatste profetische periode” naar voren gebracht wordt in de zin zonder met een naam in verband gebracht te worden:

“De discipelen predikten: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”. Miller en zijn medewerkers verkondigden ook dat de langste en laatste profetische periode van de Bijbel zeer binnenkort zou verstrijken, dat het oordeel nabij was en dat het eeuwige Koninkrijk zou worden opgericht.”

Hier noemt zr. White twee profetische perioden bij naam:

“De evangelieverkondiging van de discipelen steunde op de zeventig weken van Daniël 9. Volgens de boodschap die Miller en zijn medewerkers brachten, liepen de 2300 avonden en morgens van Daniël 8:14 af, waarvan de zeventig weken het begin vormden …”

Nadat zij ons informeert dat de verkondiging van de discipelen was gebaseerd op de zeventig weken, en dat Millerieten de 2300 dagen verkondigden – en dus ook de zeventig weken – voegt zij de sleutelzin toe:

“De verkondiging van beide (de 70 weken en de 2300 dagen) was gebaseerd op de vervulling van twee verschillende stukken van dezelfde lange profetische periode.”

Het woord “beide” (each) geeft aan dat  het betrekking heeft op meer dan één deel, en “stukken” (portion) betekent een deel van een groter geheel. Wanneer de 2300 dagen een deel is van een groter geheel, moet dat de 2520 zijn, volgens de logica van Miller. Omdat de zin zo is samengesteld, is het problematisch om daarin af te leiden dat de 2300 dagen de “grote profetische periode” is, want hoe kan de 2300 een deel van zich zelf zijn? Dat is zinloos.

Dit is een meer begrijpelijker uitleg zou zijn:

“De verkondiging van elk (de 70 weken en de 2300 dagen) was gebaseerd op de vervulling van verschillende delen van dezelfde profetische periode (de 2520)”.

In eenvoudige bewoording, de 70 weken en de 2300 dagen zijn beide een deel van de grote (langste) profetische periode, de 2520.

In overeenkomst met de leer van Gods woord

Wanneer Ellen White de 2520 bedoelt als de “grootste (langste) profetische periode, komt de zin beter overeen met Millers redenering. Maar dan moeten wij onszelf afvragen:

  • Op welke manier is de 2300 een deel van de 2520?
  • Op welke manier zijn de 70 weken een deel van de 2520?

De 2300 als een deel van de 2520

Zuster White zegt: “De boodschap die door Miller en zijn medewerkers werd gebracht, kondigde het einde van de 2300 dagen van Daniël 8:14 aan …”

Laten wij eens kijken naar Daniël 8:13-14: “Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den Onbenoemde, Die daar sprak: Tot hoelang zal dat  gezicht van het gedurige (offer) en van den verwoestende afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden? En Hij zeide tot mij: Tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.”

Onze pionieren stelden twee manifestaties van een satanische onderdrukkende macht vast:

  • Het “gedurig” of heidendom (onderdrukking van Gods gemeente van buitenaf )
  • De “verwoestende afval” van het pausdom (onderdrukking van Gods gemeente van binnenuit)

“Het gezicht”, genoemd in Daniël 8:13, omvat de beide delen van onderdrukking of vertreding. Elk van deze twee satanische machten vertreed de twee goddelijke machten:

  • het heiligdom
  • het heir (Gods volk)

Weet dat Daniël 8:14 de vraag van vers 13 gedeeltelijk beantwoord: “Tot hoelang zal … het heiligdom als het heir ter vertreding overgeven worden?” want het vertreden in verband met de 2300 heeft te maken met het heiligdom, maar het vertreden van het heir heeft te maken met de 2520.

De 2300 vervult een deel van de 2520, omdat het een deel is van de profetie van vertreding. Beide perioden eindigen gelijktijdig op 22 oktober 1844, wanneer God het heir (verbondsvolk) verzameld in een geestelijk heiligdom.

De zeventig weken is een deel van de 2520

Zuster White schrijft: “De evangelieverkondiging van de discipelen steunde op de zeventig weken van Daniël 9”. Dus laten wij Daniël 9 erbij nemen.

2 “In het eerste jaar zijner regering merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoesting van Jeruzalem, zeventig jaar was.

Wat was de oorzaak dat Jeruzalem verwoest werd?

5 “Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden en van Uw rechten. 6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.”

In de verzen 11-13 wordt de straf beschreven als de vloek  en de eed zoals in de wet van Mozes beschreven:

11 “Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uw stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben. 12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons en tegen onze rechters die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk naan Jeruzalem geschied is. 13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN onzes Gods niet, afkerende van onze ongerechtigheden en verstandiglijk acht gevende op Uw waarheid.”

Daniël verwijst naar de vloek die het resultaat was van het verbreken van Gods geboden. In Leviticus 26 (vers 18, 21, 24 en 28) wordt het als zevenvoudig uitgedrukt:

18 “En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daartoe doen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen..”

21 “En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.”

24 “Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.”

28 “Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.”

In de verzen 31-33 wordt de verwoesting voorspelt door Mozes, die Daniël herkent als plaatsvindend in zijn dagen, en als een deel van de zevenvoudige vloek:

31 “En Ik zal uw steden een woestijn maken en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw lieflijken reuk niet rieken. 32 Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. 33 Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien en een zwaar achter u uittrekken, en uw land zal woest en uw steden zullen een woestijn zijn.”

En de verzen 34 en 35 gaan over de precieze reden waarom ze onder de heidense naties verstrooid werden en hun eigen land verwoest achterbleef:

34 “Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben. 35 Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.”

Volgens Leviticus 25 moest het land elk zevende jaar rusten. Dit was een verordening van God en de zekerheid van het volk was afhankelijk van de gehoorzaamheid aan deze wetten.

1 “Verder sprak de HEERE tot Mozes aan den berg Sinaï, zeggende: 2. Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE. 3 Zes jaren zult gij uw akker bezaaien en zes jaren uw wijngaard besnijden en de inkomt daarvan inzamelen. 4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat des HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden. 5 Wat vanzelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der rust voor het land zijn.”

18 En doet Mijn inzettingen en houdt Mijn rechten en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land. 19 En het land zal zijn vrucht geven en gij zult eten tot verzadens toe; en gij zult zeker daarin wonen.”

Ongehoorzaamheid tegenover de wetten en het oordeel bracht de verwoesting die Daniël herkende in zijn ernstige boetedoeningsgebed. Pas nadat Daniël de voorwaarden van herstel, zoals genoemd in Leviticus 26:40-45, incl. de zevenvoudige straf, had vervult, kwam Gabriël bij hem en gaf hem de profetie van de 70 weken. Zo zien wij het verband tussen de 2520 en de zeventig weken profetie.

Ten slotte, volgens Daniël 9:27, bekrachtigde de Messias, in de zeventigste week, “het verbond voor velen in één (profetische) week” (of zeven jaren = 2520 dagen) “en in de helft der week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden”, door Zijn dood aan het kruis.

Dus, binnen de structuur van de zeventig weken, is er een periode waarin Christus het verbond bekrachtigd met velen voor 2520 letterlijke dagen, waarmee het de nauwe verbinding tussen beide profetische perioden aantoont.

 

Download deze studie in PDF

——

Voor meer informatie over de 2520 zie:

1. De 2520 kaart op de Chart pagina

2. Het artikel de “2520 begrijpen”

3. Deze studie/video over de 2520:

Deel dit met anderen...