De 2520 begrijpen

Inleiding

De “zeven tijden” of de 2520 jaar profetie van Leviticus 26 is een profetische tijdsperiode, waarvan de pioniers van de kerk der Zevende-dags Adventisten leerden, dat deze profetie een bevestiging was van de gebeurtenissen die plaatsvonden op 22 oktober 1844, toen de 2300 jaar profetie ook tot zijn eind kwam. Deze profetie bindt alle profetische tijdsperioden in de boeken van Daniël en Openbaring samen onder de gemeenschappelijke thema’s van het verbond en de verstrooiing en verzameling van Gods uitverkoren volk. Deze profetie identificeert niet alleen wanneer en waarom God het oude Israël verstrooide, maar ook wanneer hij het moderne Israël – de kerk der Zevende-dags Adventisten – begon te verzamelen en een verbond met hen sloot. De fundamentele boodschap van de 2520 is dat de Adventbeweging en de daaruit voortkomende ZDA-gemeente, door God is vastgesteld, en dat zij boven elke andere denominatie in het Christendom Zijn vertegenwoordiger is op deze aarde.

De Zeven Tijden van Leviticus 26

Leviticus 26 geeft de zegeningen weer voor het gehoorzamen van Gods wet en het eren van Zijn verbond, en de vloeken voor het breken van Zijn verbond door vast te houden aan de zonde.

De uitdrukking “zeven tijden” wordt tot viermaal toe herhaald in de opsomming van de vloeken voor het breken van Gods verbond (in de Nederlandse Statenvertaling staat “zevenvoudig”, waar in de KJV “zeven tijden” staat).

18  En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toedoen, om u zevenvoudig (KJV: “seven times”) over uw zonden te tuchtigen. 19  Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper. 20  En uw macht zal ijdellijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven. 21  En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig (KJV: “seven times”) slagen toedoen. 22  Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden. 23  Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen; 24  Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig (KJV: “seven times”) over uw zonden slaan. 25  Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden. 26  Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden. 27  Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid; 28  Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig (KJV: “seven times”) over uw zonden tuchtigen. 29  Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten. 30  En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen. 31  En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken. 32  Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen. 33  Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.  {Leviticus 26:18-33}

Een “tijd” staat in de Bijbel voor een jaar (Openbaring 12:6,14). Een profetisch jaar heeft 360 dagen. Zeven tijden zouden dan 2520 dagen zijn. Als we dan het jaar-dag principe toepassen (Numeri 14:34, Ezechiël 4:6), zijn 2520 profetische dagen 2520 letterlijke jaren. Daardoor begrepen de Millerieten en de eerste Adventpioniers dat de formulering “zeven tijden” een tijdsprofetie weergaf waarin Israël 2520 jaar lang verstrooid zou zijn als ze ongehoorzaam bleven aan Gods geboden.

Volgend op de belofte dat Hij Zijn volk zou verstrooien vanwege hun ongehoorzaamheid, is de belofte om ze weer te verzamelen als ze zich bekeren en tot hem keren met hun hele hart.

40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben. 41  Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben; 42  Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken; 43  Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had. 44  En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God! 45  Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE! 46  Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israels, op den berg Sinai, door de hand van Mozes. {Leviticus 26:40-46}

De zegeningen van het verbond en de vloeken in verbinding met de 2520 waren dus voorwaardelijk; afhankelijk wie Gods volk verkoos te willen aanbidden en gehoorzamen.

De startpunten

De Bijbel beschrijft de verdrietige geschiedenis van Israëls afvalligheid en ontrouw aan God en Zijn verbond met hen. Maar de vragen die beantwoord moeten worden, zijn: is de 2520 jaar bestraffing over Gods volk gekomen? En zo ja, geeft de Bijbel licht over wanneer deze periode van bestraffing begon? Lees Jesaja 7:1-9:

1  Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israel, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar. 2  Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriërs rusten op Efraïm, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind. 3  En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers; 4  En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriërs, en van den zoon van Remalia; Omdat de Syrier kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en den zoon van Remalia, zeggende: 6  Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en den zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen. 7  Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden. Maar Damaskus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm verbroken worden, dat het geen volk zij. 9  Ondertussen zal Samaria Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.  {Jesaja 7:1-9}

In een tijd van burgeroorlog tussen het zuidelijke koninkrijk van Juda en het noordelijke koninkrijk van Israël (Efraïm), die samengezworen had met Syrië, verklaarde Jesaja dat Efraïm gebroken en verstrooid zou worden binnen 65 jaar. Deze profetie van Jesaja werd in het jaar 742 v.Chr. geuit. En in het jaar 723 v.Chr. verloor Israël zijn soevereiniteit toen Hosea, hun koning, gevangen genomen werd door de Assyriërs onder koning Salmaneser.

9 Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmaneser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde. 10  En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd. 11  En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden. 12  Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan. {2 Koningen 18:9-12}

De profetie van Jesaja 7, dat Efraïm binnen 65 jaar gebroken zou worden, werd dus 19 jaar na de verkondiging vervuld. 2520 jaar vanaf het jaar 723 v.Chr. reikt tot 1798 n.Chr.. Werd het jaar 1798 gemarkeerd door een belangrijke gebeurtenis, die wees op het feit dat God de gevangenschap van Zijn volk eindigde en hen weer verzamelde als Zijn verbondsvolk? Ja, dat was zo. Dit jaar markeerde het toedienen van de dodelijke wond aan het pausdom en het einde van zijn vervolgende macht over de koninkrijken en de volken op de aarde (Daniël 7:25, Openbaring 13:5).

Het is belangrijk om op dit punt te zien dat het volk Israël na de dood van Salomo in twee koninkrijken verdeeld werd. Het noordelijke koninkrijk bevatte tien stammen en het zuidelijke koninkrijk bevatte Juda en Benjamin.

28  En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef. 29  Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren; 30  Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken. 31  En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven. 32  Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israël. 33  Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniërs, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David. 34  Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft. 35  Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven. 36  En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen. 37  Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israël. 38  En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven. 39  En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd. {1 Koningen 11:28-39}

De verbondbeloften, gegeven aan het gehele koninkrijk toen het nog niet in twee koninkrijken verdeeld was, is na de scheiding van toepassing op beide koninkrijken. Dus voor zowel het noordelijke als het zuidelijke koninkrijk. Daardoor mogen we verstaan dat er tevens twee vervullingen  van de 2520 dienen te bestaan – één voor het noordelijk koninkrijk en een andere voor het zuidelijke koninkrijk.

We hebben al aangetoond dat de noordelijke stammen het verbond verbroken hebben en onder de vloek van de 2520 geleden hebben. Maar de vraag is of het zuidelijke koninkrijk hun verbond met God geëerd heeft? Ook hierover bericht de Bijbel de verdrietige geschiedenis van Juda’s afval en rebellie tegen Zijn wet. Zo zeker als het oordeel over de noordelijke stammen kwam, zo heeft ook Juda onder de vloek van de 2520 geleden. Dit vond plaats toen Manasse gevangen werd genomen door Nebukadnezar in het jaar 677 v.Chr..

9 Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had. 10  De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. 11  Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel. {2 Kronieken 33:9-11}

Hoewel Manasse berouw kreeg en daardoor hersteld werd (2 Kronieken 33:12-19), heeft Juda nooit meer haar onafhankelijkheid teruggekregen. Ze bleef onderworpen aan machten, die uiteindelijk haar stad vernietigden en haar tempel met de grond gelijk maakten in het jaar 586 v.Chr..  Overigens is het belangrijk om te herkennen dat 677 v.Chr. precies 65 jaar na 742 v.Chr. is, toen Jesaja zijn profetie verkondigde tegen Efraïm. Dus binnen 65 jaar zijn zowel het noordelijk als het zuidelijk koninkrijk verstrooid in de heidense volkeren, zoals voorzegd in Jesaja 7.

2520 jaar vanaf het jaar 677 v.Chr. reikt tot 1844 n.Chr.. 1844 is het jaar van de Grote Teleurstelling, toen Christus zijn trouwe overblijfsel verzamelde, aan wie Hij de waarheden van de derde engelenboodschap toevertrouwde. Het kleine gezelschap dat met Hem in het Heilige der heiligen van het hemelse heiligdom binnenging, vormde later de kerk der Zevende-dags Adventisten, dat nu Gods uitverkozen volk is.

Wij zijn Zevende-dags Adventisten. Dit is een passende naam, want we houden de zevende-dag-Sabbat en we kijken uit naar de tweede komst van de Heer op de wolken in de hemel, met macht en grote heerlijkheid. Zelfs door de naam, die bepaalde geloofspunten inhoudt, waardoor we ons van andere christenen onderscheiden, zijn we bijzonder. Door de Sabbat te houden, waarvan God verklaart dat hij heilig moet worden gehouden als een teken tussen Hem en Zijn volk, laten we de wereld zien dat wij Zijn uitverkozen volk zijn – een volk dat hij benoemd heeft.” {19MR 40.2}

“Zevende-dags Adventisten moeten nu duidelijk afgescheiden staan, als een volk benoemd door de Heer als Zijn eigen. Tot ze dit doen, kan Hij niet verheerlijkt worden in hen. Waarheid en leugen kunnen niet samengaan. Laten we ons nu plaatsen waar God gezegd heeft dat we moeten staan… We moeten naar eenheid streven, maar niet op het lage level van gelijkheid aan werelds beleid en vereniging met de populaire kerken.” –Lt 113, 1903 {2MCP 559.2}

William Miller en de 2520:

De geest der profetie vertelt ons dat William Miller door God geleid werd in Zijn Bijbelstudie. Hem werd “het begin van de keten der waarheid” gegeven.

“Ik zag dat God Zijn engel zond om het hart van een boer te bewegen, die niet in de Bijbel geloofde, om hem ertoe te brengen de profetieën te onderzoeken. Engelen van God bezochten deze uitverkoren man herhaaldelijk, om zijn geest te leiden, en zijn verstand te open om profetieën te begrijpen, die tot dusver immer duister geweest waren voor Gods volk. Het begin van de keten der waarheid werd hem gegeven en hij werd aangedreven de ene schakel na de andere te zoeken, tot hij met verbazing en bewondering naar het Woord van God keek. Hij zag er een perfecte keten van waarheid. Dat Woord, dat hij voor niet geïnspireerd gehouden had, opende zich nu voor zijn oog in al haar schoonheid en heerlijkheid. Hij zag dat één gedeelte van de schrift een ander gedeelte verklaart en wanneer een gedeelte voor zijn verstand gesloten was, vond hij in een ander gedeelte van het Woord de verklaring ervan. Hij beschouwde het heilige Woord van God met blijdschap en met de grootste eerbied en ontzag.” {1SG 128.1}

Welke beginpunten zegt Miller zelf in de Schriften te hebben gevonden? Lees het volgende:

“Uit een verdere studie van de Schriften concludeerde ik, dat de zeven tijden van heidense overheersing moesten beginnen toen de Joden ophielden een onafhankelijke natie te zijn, bij de gevangenname van Manasse, wat de beste chronologen in 677 v.Chr. plaatsten; dat de 2300 dagen begonnen met de 70 weken, wat de beste chronologen dateerden in 457 v.Chr.; en dat de 1335 dagen, beginnende met het wegnemen van het gedurig en het opstellen van de verwoestende gruwel, Dan. 12:11, gedateerd moesten worden vanaf het opstellen van de pauselijke overheersing, na het wegnemen van de heidense gruwel, wat volgens de beste geschiedkundigen die ik kon raadplegen, gedateerd moest worden in circa 508 n.Chr.. Wanneer al deze profetische periode berekend worden, vanaf de verschillende jaartallen waarin de gebeurtenissen plaatsvonden, vastgesteld door de beste chronologen, zouden zij allemaal tezamen eindigen in circa 1843 n.Chr…” William Miller’s Apology and Defence, August 1, 11.2

Aan Miller werden drie beginpunten gegeven – 677 v.Chr., wat het startpunt is voor de 2520 voor het Zuidelijke koninkrijk van Juda; 457 v.Chr., wat het startpunt is voor de 2300 jaar profetie; en 508 n.Chr., wat het startpunt is de 1290 en 1335 jaar profetie. Maar het meest significante voor deze studie, is het feit dat de 2520 een “schakel” is in de “perfecte keten van waarheid”, die door heilige engelen aan Miller werden gegeven. Dit is een plechtige en belangrijke waarheid, omdat we niet één enkele schakel kunnen verwerpen, ondermijnen of aanvallen zonder de hele keten in gevaar te brengen.

Miller identificeerde de beide perioden van 2520 jaar, maar legde nadruk op Juda’s 2520, die eindigde in 1843 (later gecorrigeerd tot 1844), omdat deze lijn hem bracht tot hetzelfde jaar, waarvan hij dacht dat Christus zou komen.

“Wanneer, kunnen we vragen, begon dan de onderdrukking van de kinderen van God? Ik antwoord, toen het letterlijke Babylon zijn autoriteit begon uit te oefenen over hen. In het twee-en-twintigste jaar van de heerschappij van Manasse, in het jaar 677 v.Chr., werd de laatste van de tien stammen weggevoerd en Israël hield op een volk te zijn, volgens de profetie van Jesaja vii. 8:  “Maar Damaskus zal het hoofd van Syrie zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraim verbroken worden, dat het geen volk zij.” Jesaja profeteerde dit in het jaar 742 v.Chr., welke profetie 65 jaar later letterlijk vervuld werd, in het jaar 677 v.Chr.. Toen werd ook Manasse, koning van Juda, als een gevangene naar Babylon gebracht, en begonnen de dreigementen van God voor Zijn volk. 2 Koningen xxi. 10-14: “Toen sprak de HEERE door den dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende: Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen; Daarom, alzo zegt de HEERE, de God Israels: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen. En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid. En Ik zal het overblijfsel Mijns erfdeels verlaten, en zal ze in de hand hunner vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden.”  En ook 2 Koningen xxiv. 3,4: “Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had; Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.” En hoewel Josia, die de koning van Juda was na Manasse, vele goede daden deed, keerde de Heer zich toch niet van de brand Zijns toorns tegen Juda af. 2 Koningen xxiii. 26,27: “Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had. En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.” Het decreet tegen Juda, was hetzelfde als dat tegen Israël. Zij moesten verstrooid worden over alle volkeren. Het kon niet herroepen worden, ondanks hun berouw en gedeeltelijke reformatie. Jeremia xv. 4, – “En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.” – vertelt ons hetzelfde, dat Juda zowel als Israël tot gevangenen moesten worden gemaakt. Het begin van de wegvoering van Israël was in de dagen van Hosea, 722 v.Chr. (later gecorrigeerd naar 723 v.Chr.), en vanaf die tijd tot 1798 n.Chr., is precies 2520 jaar, of zeven profetische jaren. Hoe opmerkelijk, dat toen de zeven jaren eindigden, God zijn gemeente begon te bevrijden van haar onderdrukking, die namelijk voor eeuwen onderdanig geweest was aan de koningen van de aarde. In 1798 kwam de gemeente uit de woestijn, en begon bevrijd te worden uit haar gevangenschap. Maar de voltooiing van haar slavernij onder de koninkrijken van de aarde, wordt bewaard voor een andere periode. Beginnende vanaf 677 v.Chr., zouden zeven profetische jaren, of 2520 gewone jaren, eindigen in 1843 n.Chr. (later gecorrigeerd naar 1844). Daarom zal, beginnende met de gevangenname van Manasse en de uiteindelijke verspreiding van de tien stammen van Israël, het moment dat God vaststelde voor de verspreiding van Gods volk en de verstrooiing van het heilige volk, het jaar 1843 (1844) het einde zijn van de zeven jaar, als het jaar van het welbehagen des HEEREN zal beginnen; en naar mijn nederige mening, zullen de kinderen Gods bevrijd worden van alle boosheden opgenoemd door Mozes in Leviticus xxvi., en Jeremia xv.; door oorlog of het zwaard, door de pest en hongersnood, door gevangenschap en verwoesting, door dood en corruptie; en allen zullen getroost worden, en alle tranen zullen weggewist worden van alle gezichten; zuchten en zorgen zullen voor altijd ophouden, en er zal geen vloek meer zijn, want de troon van het Lam zal daar zijn, en Hij zal met hen zijn, en hij zal hun God zijn, en zij zullen Zijn volk zijn. Dit zal plaatsvinden in het jaar van het welbehagen des Heeren, het anti-typische jaar van vrijlating.” – William Miller, Lectures on the Typical Sabbaths and Great Jubillee 18.1

Met de geschiedenis van de Adventbeweging van 1798 – 1844 in ons achterhoofd, en het juiste begrip van wat plaatsvond op 22 oktober 1844, kunnen we zien dat beide perioden geldige vervullingen zijn van de 2520 profetie.

De 2520 en de geestelijke tempel:

Een verder bewijs van de geldigheid van deze twee perioden van 2520 jaar is de symmetrie die kan worden gezien aan hun begin en einde. De noordelijke en zuidelijke stammen werden gedurende 46 jaar van 723 – 677 v.Chr. verstrooid. Het geestelijk Israël werd verzameld gedurende 46 jaar van 1798 – 1844 n.Chr.. Deze symmetrie is nog duidelijker als de symbolische waarde van het getal 46 begrepen wordt. Het getal 46 representeert het bouwen van de tempel. Mozes was in totaal 46 dagen op de berg Sinaï om de ontwerpen van de aardse tabernakel te ontvangen.

15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zo heeft een wolk den berg bedekt. 16  En de heerlijkheid des HEEREN woonde op den berg Sinai, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk. 17  En het aanzien der heerlijkheid des HEEREN was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de ogen der kinderen Israels. 18  En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten. {Exodus 24: 15-18}

Toen gesproken werd over Zijn opstanding op de derde dag, zeiden de Joden in Johannes 2:20 dat er 46 jaar nodig was geweest om de tempel te bouwen.

19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten. 20  De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten? 21  Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams. {Johannes 2:19-21}

De voorgaande punten bevestigen de geldigheid van de 2520. Daarbij voorzien ze ons van het onmiskenbare bewijs dat de Kerk der Zevende-dags Adventisten Gods overgebleven gemeente is – zijn geestelijke tempel aan het einde van de wereld.

De 2520 en de 2300 dagen:

Wat is de relatie tussen de 2520 en de 2300 dagen? De Geest der Profetie leert ons dat Daniël 8:14 het fundament en de centrale pilaar van de adventboodschap is.

“Het Schriftgedeelte dat boven alle andere zowel het fundament als de centrale pilaar van het Adventgeloof was, was de tekst: „Twee duizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechte staat hersteld worden” (Daniël 8:14). Dit waren bekende woorden voor allen die geloofden in spoedige wederkomst van de Heer. Deze profetie werd door duizenden herhaald als het wachtwoord van hun geloof. Iedereen was ervan overtuigd dat hun mooiste verwachtingen en meest gekoesterde hoop afhingen van de gebeurtenissen die in dit vers voorzegd werden. Het was bewezen dat deze profetische dagen eindigden in de herfst van 1844. De adventisten geloofden, zoals de andere christenen toen ook, dat de aarde, of een deel daarvan, het heiligdom was en ze waren van mening dat „het in rechte staat herstellen van het heiligdom” betrekking had op de reiniging van de aarde door vuur op de laatste, grote dag, bij Christus’ wederkomst. Door deze gedachtegang waren ze tot de conclusie gekomen dat Christus in 1844 zou terugkeren.” {GC 409.1}

De vraag echter die gesteld wordt in Daniël 8:13, “tot hoe lang zal het heiligdom en het heir ter vertreding worden overgegeven?” wordt slechts deels beantwoord door vers 14. Daniël 8:14, de 2300 dagen, beantwoord het reinigen van het heiligdom op 22 oktober 1844. De 2520 vertelt ons van het verzamelen van “het heir” (het volk) in verbinding met de dispensatie van het Heilige der heiligen, die op die datum begon. De 2300 dagen wijzen op wat er in de hemel plaatsvond in 1844, terwijl de 2520 laat zien wat er op hetzelfde moment op aarde plaatsvond.

Zo vult de 2520 de 2300 dagen aan en is het een belangrijke getuige voor de Adventleer over het begin van deze beweging en zijn identiteit als Gods uitverkoren volk.

De 2520 van Christus:

Er zijn vele typen (symbolische beelden) van de 2520 in de Bijbel te vinden. Eén ervan is de dienst van Christus in de laatste zeven jaar van de 490 jaar genadetijd voor het Joodse volk. Daniël 9:27 zegt ons dat Christus het verbond kwam versterken met velen voor “één week”.

24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven. 25  Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. 26  En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. 27  En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste. {Daniël 9:24-27}

Christus heeft de eerste 3,5 jaar van deze zeven jaar als mens gediend. Nadat hij “uitgeroeid” werd bij Zijn kruisiging in 31 n.Chr., diende Hij de Joden nog 3,5 jaar door Zijn discipelen. Het einde van deze week (en van de 490 jaar profetie, waarvan deze week een deel is) was het jaar 34 n.Chr.. Toen verzegelden de Joden hun afwijzing van het Evangelie door het stenigen van Stefanus (Handelingen 7). Vervolgens werd het Evangelie verkondigd aan de heidenen.

De 3,5 jaar waarin Christus dienstwerk deed voor het Joodse volk waren letterlijk 1260 dagen. De 3,5 jaar waarin de apostelen hun dienstwerk voor de Joden deden waren letterlijk 1260 dagen. Twee keer 1260 dagen levert 2520 dagen op, waarin Christus in één week (7 profetische dagen) het verbond bevestigde voor Zijn volk. Dit is in overeenstemming met het centrale thema van de 2520, namelijk Gods verbond met Zijn volk.

Zo is de 2520 voor het noordelijke koninkrijk op gelijke wijze verdeeld in twee helften. De eerste periode bestaat uit 1260 jaar waarin het heidendom (het gedurig) oorlog voerde tegen Gods gemeente. Deze periode duurde van 723 v.Chr. tot 538 n.Chr.. De tweede periode bestaat uit de pauselijke overheersing (de verwoestende gruwel) die van 538 tot 1798 duurde. Heidendom is Satans vervalsing van het aardse heiligdom en zijn offers, terwijl Katholicisme Satans vervalsing is van christelijke aanbidding. Het nabootsen van de dienst van Christus door Satan is alleen maar een bevestiging van zijn oorspronkelijke intentie om “als de allerhoogste te zijn” (Jesaja 14:14). De 2520 is het raamwerk waarin de parallellen tussen de dienst van Christus en de bedelingen van Satans tegenstand begrepen kunnen worden.

Het patroon van Christus en het patroon van Satan:


De 2520 van Nebukadnezar:

Een ander type van de 2520 zijn de “zeven tijden” van Nebukadnezar.

13 Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel, 14  Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken; 15  Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde. 16  Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan. {Daniël 4:13-16}

Als oordeel over zijn zonden en trots nam God het gezond verstand van koning Nebukadnezar weg. Hij werd verstoten van de mensen en had zijn woning “bij de dieren van het veld” gedurende “zeven tijden” of 2520 dagen (Daniël 4:25). Een beest vertegenwoordigt in de Bijbelse profetie een koninkrijk (Daniël 7:25, 8:20-22). Zoals Nebukadnezar moest wonen bij de dieren van het veld, zo werd Gods volk verstrooid over de “beesten” of koninkrijken van de aarde als vervulling van de 2520 (Leviticus 26:22). Zoals Nebukadnezar een glorieus herstel beleefde aan het einde van zeven jaar (2520 dagen) (Daniël 4:34-37), zo werd Gods volk in 1844 hersteld met nog grotere geschenken van licht en kennis dan de oudtestamentische en vroege christelijke gemeente.

De 2520 van Belsazar:

Een derde type van de 2520 is die van koning Belsazar in Daniël hoofdstuk 5. Tijdens zijn onbeschaamde feest werd een hand door de Heer gezonden die “mene, mene, tekel upharsin” op de muur schreef (Daniël 5:25)

18 Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven; 19  En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij. 20  Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg. 21  En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil. 22  En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt. 23  Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt. 24  Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden. 25  Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN. 26  Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind. 27  TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden. 28  PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven. 29  Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was. 30  In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood. {Daniël 5:18-30}

Daniël legde deze woorden uit als een oordeel over de kwaadaardige koning en zijn koninkrijk. In werkelijkheid echter, staan deze woorden voor gewichtsmaten, die gebruikt werden door de Hebreeën en de Babyloniërs. De MENE staat gelijk aan 50 sjekel. De UPHARSIN was een halve MENE en staat daarom gelijk aan 25 sjekel. TEKEL is het Babylonische woord voor een sjekel. De vier woorden staan daarom samen voor: MENE, 50 sjekel; MENE, 50 sjekel; TEKEL, één sjekel; UPHARSIN, 25 sjekel. Opgeteld zijn dat 126 sjekel.

Elke sjekel kan nog worden verdeeld in kleinere hoeveelheden (zoals bijv. een kilo kan worden verdeeld in 2 pond). De sjekel stond gelijk aan 20 gera (Leviticus 27:25). Als we 126 sjekel omrekenen tot gera, zijn dat 2520 gera.

MENE =         50 sjekel, =    1000 gera

MENE =         50 sjekel, =    1000 gera

TEKEL =        1 sjekel, =      20 gera

PERES =         ½ MENE =     500 gera        

=                      Totaal =        2520 gera

De profeet Daniël begreep wat de bedoeling van deze gewichtsmaten was, namelijk te vertellen dat Babylon geoordeeld (“gewogen”) was en op het punt stond verstrooid te worden. Dit verhaal benadrukt de thema’s oordeel en verstrooiing, die het middelpunt van de 2520 zijn. In het oordeel over de onbeschaamde koning Belsazar klinkt het oordeel wat het oude Israël opgelegd werd gekregen, toen zij voor hun boosheden verstrooid werden.

De 2520 en de fundamenten van de ZDA:

Het geïnspireerde woord geeft meer licht over het belang van de 2520 en zijn relatie tot de waarheden, die ons Zevende-dags Adventisten maken. De Geest der Profetie leert dat de 1843 “Millerieten”-kaart en de 1850 “Nichols”-kaart beiden door de hand van God geleid zijn, en dat ze het bevel vervullen uit Habakuk 2:2 om het gezicht op te schrijven en het duidelijk op tafelen te stellen. De waarheden die op deze kaarten staan zijn de fundamenten van het Adventgeloof. Omdat dit zo is, is het belangrijk om te zien dat de 2520 zowel op de 1843 als op de 1850 kaart staat vermeld. De 1850 kaart corrigeerde fout die leidde tot de eerste teleurstelling, namelijk dat de profetische perioden niet in 1843, maar in 1844 eindigden.

Rechtsboven op de 1843 kaart:

Rechtsonder op de 1850 kaart:

Dit leidt tot de duidelijke conclusie dat de 2520 deel is van de waarheden die de fundamenten van het Adventgeloof uitmaken.

Is de 2520 van belang voor onze redding?

Vaak wordt de vraag gesteld: “is de 2520 van eeuwigheids belang?”. De voorgaande argumenten over haar plek in de fundamenten van ons geloof en zijn relatie tot de 2300 dagen beantwoorden deze vraag. Maar lees ook het getuigenis van Deuteronomium 29:29 en 2 Timotheüs 3:16-17;

29 De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet. {Deuteronomium 29:29}

16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; 17  Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust. {2 Timotheüs 3:16-17}

De echte en fundamentele vraag is dan – is er iets dat God een plaats heeft gegeven op de bladzijden van de Heilige Schrift dat niet van belang is voor onze redding? Het antwoord is nee. Daarom is de 2520, net als alle andere waarheden die gegeven zijn aan Zevende-dags Adventisten, van zaligmakend belang.

—– EINDE —–

Zie ook deze studie/video over de 2520:

Voetnoten:
i. Ussher, James. The Annals of the World London: Printed by E. Tyler, for J. Crook … and for G. Bedell …, 1658.

ii.

                “De regering van het koninkrijk van Israël was voor het eerst volledig gebroken in de dagen van Manasse, de koning van Juda, toen de aanvoerders van het leger van Assyrië naar Jeruzalem kwamen en haar innamen; en Manasse gevangen namen onder de doornen en hem bonden met twee koperen ketenen en hem naar Babel voerden. Daarvoor werd soms Juda onderdrukt door haar vijanden en soms Israël. Maar één van de twee koninkrijken bleef onafhankelijk tot die tijd, toen beiden als gevangen werden weggevoerd en hun trots en hun macht gebroken was. Deze gevangenname, volgens alle chronologen, was in 677 v.Chr.. Zij bleven in een schatplichtige en gevangen staat gedurende zeven tijden, of 2520 jaar. “Maar”, wordt er gevraagd, “keerde Manasse niet terug naar Jeruzalem en regeerde nog vele jaren daarna?” Ja, is mijn antwoord. Maar hij regeerde als een schatplichtige en afhankelijke (sic) van de koning van Assyrië. En zo was het met alle koningen die hem opvolgden in Jeruzalem, zoals Nehemia schrijft; Nehemia ix. 32. Na het opnoemen van de hele geschiedenis van de kerk, de oprichting van het koninkrijk en Gods verbond van genade, en de rebellie van Israël en hun straf overeenkomstig de dreigementen van God, komt hij dan tot de grote straf, en vertelt van de verwoesting die er sinds de tijd van de koningen van Assyrië is tot op die dag. In deze opsomming herkent hij de gevangenschap onder de Assyrische koningen duidelijk als de grote moeite, en getuigt ervan dat het aangehouden heeft tot op die dag. En hij heeft sindsdien aangehouden. Het koninkrijk zal niet meer zijn, tot Hij komt wiens recht het is. – 1842 Josiah Litch. Prophetic Expositions vol. 2 p. 124-5

iii. Ussher, James. The Annals of the World London: Printed by E. Tyler, for J. Crook … and for G. Bedell …, 1658.

iv. Miller ontdekte eerst de 2520 en kwam vervolgens tot een begrip van de 2300 dagen.

                “Ik had een Crudens Concordantie, waarvan ik denk dat het de beste ter wereld is, en die nam ik samen met mijn Bijbel, en ik zette me achter mijn bureau, en ik las niets anders, behalve soms de krant, omdat ik vastbesloten was te weten wat mijn Bijbel bedoelde. Ik begon in Genesis en las langzaam verder; en als ik bij een tekst kwam die ik niet kon begrijpen, zocht ik de Bijbel door om uit te vinden wat het betekende. Nadat ik deze Bijbel op deze manier was doorgegaan, o, hoe schitterend en heerlijk scheen de waarheid. Ik vond, wat ik u gepredikt heb. Ik was ermee tevreden dat de zeven tijden in 1843 eindigden. Toen kwam ik tot de 2300 dagen; ze brachten me tot dezelfde conclusie;” – William Miller, Advent Review & Sabbath Herald, April 24, 1856, p. 9, par. 15

v. William Miller, Dissertations on the Inheritance of the Saints, p. 45, 46

                “Toen zag ik met betrekking tot het “gedurig”, dat het woord “offer” door menselijke wijsheid was toegevoegd, en dat het niet in de tekst thuishoort; en dat de Heer het juiste inzicht erover gegeven had aan degenen die de roepstem van het uur des oordeels deden horen. Toen er eenheid heerste, vóór het jaar 1844, waren bijna allen verenigd in het juiste inzicht van het “gedurig”, maar sinds 1844, in de verwarring, zijn er andere inzichten aangenomen en daarop volgden duisternis en verwarring.  {RH, November 1, 1850 par.11}

vi.

                “De zeven tijden”, in Nebukadnezars droom, werden vervuld in zeven jaren. Nebukadnezar werd, vanwege zijn trots en arrogantie tegenover God, naar de beesten van het veld verdreven en moest gras eten met de ossen, tot de zeven tijden voorbij waren, en totdat hij geleerd had dat de Allerhoogste regeerde in de koninkrijken van mensen en Hij de macht gaf aan wie Hij wilde. Vanwege deze geschiedenis, die als een zinnebeeld of voorbeeld dient voor Gods volk, voor hun trots en arrogantie omdat zij weigeren door God hervormd te worden en er aanspraak op maken macht te hebben en zelf in staat zijn deze dingen te doen, — daarom moeten ook zij, net als Nebukadnezar verdreven worden naar de beesten van het veld (dit betekent de koninkrijken van de wereld)  totdat zij de soevereiniteit van God leren en weten dat Hij Zijn gunst bewijst aan wie Hij wil… {1842 William Miller, Miller’s Works vol.2 p.261}

vii.

H4484 מנא (Aramees) menê’ BDB Definitie: 1) (Peal) mina, maneh 1a) een gewicht of een maat; normaal gesproken 50 sjekel, maar kan ook 60 sjekel zijn;
H8625 לק (Aramees) teqal BDB Definitie: 1) wegen (werkwoord) 1a) (Peil) gewogen zijn  2) tekel, sjekel (zelfstandig naamwoord, mannelijk) 2a) (Peal) tekel – een eenheid van gewicht, sjekel;
H6537 סר (Aramees) peras BDB Definitie: 1) (Peal) in tweeën breken,  verdelen (werkwoord) 2) half-mina, half-sjekel (zelfstandig naamwoord, mannelijk) 2a) een eenheid van maat en gewicht.

viii.

Het volgende is een gedeelte van een artikel gepubliceerd door DEB-ministries: “het fundament van Adventisme”:
De drie engelen boodschappen zijn het fundament van Zevende-dags Adventisten. Het zijn de boodschappen die gegeven werden tussen 1840 en 1844. Maar waar worden deze boodschappen het meest duidelijk weergegeven? Lees het volgende:

”Al in 1842 had de opdracht in deze profetie „Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, opdat men het in het voorbijlopen zal kunnen lezen” (Habakuk 2:2) Charles Fitch op de gedachte gebracht een profetische kaart te tekenen waarop de gezichten van Daniël en de Openbaring in beeld worden gebracht. De publicatie van deze kaart werd beschouwd als een vervulling van het bevel door Habakuk gegeven. Maar niemand had toen gemerkt dat ook de schijnbare vertraging in de vervulling van het gezicht – „als het vertoeft” – in dezelfde profetie was aangeduid. Na de teleurstelling kreeg deze uitspraak een bijzondere betekenis: „Want wel wacht het gezicht nog tot de bestemde tijd, maar het spoedt zich zonder falen naar het einde; als het vertoeft, verbeid het, want komen zal het gewis; uitblijven zal het niet… Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.” {GC88 392.1}

Het gegeven bevel om “het gezicht op te schrijven en het duidelijk op tafelen te zetten” was vervuld door de productie van de 1843 kaart door Charles Fitch. Deze kaart toont figuurlijke weergaven (met uitleg) van de boodschappen die aankwamen tussen 1840 en 1844.

“Ik heb gezien dat de kaart van 1843 onder de leiding van de hand des Heren gemaakt was en dat hij niet veranderd moet worden; dat de cijfers waren, zoals Hij ze hebben wilde; dat Zijn hand er over was en dat die een fout in sommige van die cijfers verborg, zodat niemand die zien kon, totdat Zijn hand weggenomen werd.” {Early Writings 74}

Deze kaart was onder de leiding van de hand des Heren gemaakt, en bevatte een fout, die God toeliet. Deze fout leidde tot een verrekening in de datum voor het eind van de 2300-jaar profetie en tot “de grote teleurstelling… “

De Geest der Profetie getuigt ook van de goddelijke oorsprong van de 1850 kaart:

“God liet me de noodzakelijkheid zien van het uitgeven van een kaart. Ik zag dat het nodig was en dat de waarheid, duidelijk gemaakt op tafelen, velen zou aangrijpen en vele zielen tot de kennis der waarheid zouden komen.” – Letter 26, 1850, p.1 {aan Broeder en Zuster Loveland, 1 November 1850}

“Op onze terugweg naar Broeder Nichols gaf de Heer mij een visioen en liet me zien dat de waarheid op tafelen moest worden duidelijk gemaakt, en dat het zou zorgen dat velen voor de waarheid van de derde Engelboodschap zouden kiezen met de twee eerdere duidelijk op de tafelen gemaakt.“{5MR 202-203}

“Ik zag dat God erbij was in het publiceren van de kaart door Broeder Nichols. Ik zag dat er een profetie over deze kaart in de Bijbel was en dat als deze kaart ontworpen werd voor Gods volk, als het goed genoeg is voor de één, dan ook voor een ander, en als er één een nieuwe kaart op grotere schaal getekend nodig heeft, dan hebben allen het even goed nodig.” {13MR 359.1}

ix. “Het Fundament,” door DEB-ministries.

x.

                “De 23e september toonde de Heer mij, dat Hij voor de tweede maal Zijn hand had uitgestrekt om het overblijfsel van Zijn volk te verzamelen (zie hoofdstuk 21) en dat de pogingen verdubbeld moesten worden in deze tijd van inzameling. In de tijd van de verstrooiing was Israël geslagen en gewond geworden; maar thans in de tijd van de verzameling zal God Zijn volk helen en verbinden. Gedurende de verstrooiing hadden de pogingen, die gedaan werden om de waarheid te verspreiden slechts weinig gevolg en werkten weinig of niets uit; maar in de verzameling, wanneer God Zijn hand heeft uitgestrekt om Zijn volk te verzamelen, zullen de pogingen de waarheid te verspreiden de gewenste uitwerking hebben. Allen moeten verenigd en ijverig zijn in het werk. Ik zag dat het verkeerd was wanneer iemand naar de verstrooiing verwees, om voorbeelden aan te geven, die thans in de verzameling onze daden moeten beheersen; want indien God nu niet meer voor ons deed dan Hij toen gedaan heeft, zou Israël nimmer ingezameld worden. Ik heb gezien dat de kaart van 1843 onder de leiding van de hand des Heren gemaakt was en dat hij niet veranderd moet worden; dat de cijfers waren, zoals Hij ze hebben wilde; dat Zijn hand er over was en dat die een fout in sommige van die cijfers verborg, zodat niemand die zien kon, totdat Zijn hand weggenomen werd.” {Early Writings 74.1}

Volg ons en blijf op de hoogte...